ECLI:NL:RVS:2021:453
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over dwangsommen wegens geurhinder door SUEZ in Rotterdam
SUEZ exploiteert een afvalverwerkingsinrichting in Rotterdam en kreeg in 2009 een revisievergunning met het voorschrift dat buiten de inrichting geen geur waarneembaar mag zijn. Na klachten van omwonenden en constateringen van DCMR werden dwangsommen opgelegd wegens overtreding van dit voorschrift.
SUEZ stelde zich op het standpunt dat de last onder dwangsom onterecht en te ruim was, dat de geur niet aan haar kon worden toegerekend en dat de dwangsommen onevenredig hoog waren. De rechtbank wees deze bezwaren af en verklaarde de beroepen ongegrond.
De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling oordeelt dat het geurvoorschrift duidelijk is, dat de toezichthouders zorgvuldig onderzoek hebben gedaan en dat de dwangsommen in verhouding staan tot het belang van bescherming van omwonenden. Ook acht de Afdeling de begunstigingstermijn niet te kort en de last niet te ruim geformuleerd.
Het hoger beroep van SUEZ wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van SUEZ ongegrond.