ECLI:NL:RVS:2021:460
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking toevoeging gesubsidieerde rechtsbijstand wegens overschrijding heffingvrij vermogen
De zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen de intrekking van een eerder verleende toevoeging voor gesubsidieerde rechtsbijstand door de raad voor rechtsbijstand. De toevoeging werd met terugwerkende kracht ingetrokken op grond van artikel 34g, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb), omdat het financiële resultaat van de afhandeling van de zaak hoger was dan 50% van het heffingvrij vermogen.
Appellante voerde aan dat de gemaakte advocaatkosten en het terug te betalen bedrag aan de raad in mindering moesten worden gebracht op het financiële resultaat, waardoor sprake zou zijn van een negatief resultaat. De rechtbank had dit betoog reeds verworpen en verklaarde het beroep ongegrond.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het met de rechtbank eens dat het beleid van de raad, waarbij advocaatkosten niet in mindering worden gebracht op het financiële resultaat, niet onredelijk is en dat de intrekking terecht is. Ook het betoog over het terug te betalen bedrag leidt niet tot een ander oordeel.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de toevoeging voor gesubsidieerde rechtsbijstand wordt bevestigd omdat het financiële resultaat hoger was dan 50% van het heffingvrij vermogen.