ECLI:NL:RVS:2021:485
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering zorg- en huurtoeslag wegens overschrijding inkomensgrens 2017
Appellant ontving voorschotten zorg- en huurtoeslag over 2017. De Belastingdienst/Toeslagen stelde bij besluit van 10 augustus 2018 het recht op toeslagen definitief vast op nihil vanwege een toetsingsinkomen van €34.438, hoger dan de inkomensgrenzen. Hierdoor werd een bedrag van €5.305 teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het toetsingsinkomen onjuist was vastgesteld, onder meer omdat pensioenuitkeringen aan een stichting werden betaald, er een vordering op een ingenieursbureau bestond en zijn ex-echtgenote teveel had terugbetaald.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de Belastingdienst bij de vaststelling van de draagkracht moet uitgaan van het inkomensgegeven zoals opgenomen in de basisregistratie inkomensgegevens (BRI). Het toetsingsinkomen van appellant was volgens de BRI €34.438. Het bezwaar dat appellant had tegen de vaststelling van zijn inkomen moest bij de Belastingdienst zelf worden ingediend. Het hoger beroep faalde en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van zorg- en huurtoeslag wordt bevestigd.