ECLI:NL:RVS:2021:55
Raad van State
- Hoger beroep
- F.D. van Heijningen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beslistermijn omgevingsvergunning dakopbouw Enschede
Appellante vroeg op 24 augustus 2018 een omgevingsvergunning aan voor het plaatsen van een dakkapel op een woning in Enschede om een bestaande situatie te legaliseren. Het college van burgemeester en wethouders weigerde deze vergunning bij besluit van 19 oktober 2018. Appellante stelde dat de beslistermijn op 18 oktober 2018 was verstreken, waardoor het college niet meer bevoegd was een besluit te nemen en de vergunning van rechtswege verleend zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat de beslistermijn pas op 19 oktober 2018 eindigde, omdat deze start op de dag na ontvangst van de aanvraag. In hoger beroep betoogde appellante dat de termijn op de dag van ontvangst begint, onderbouwd met memorie van toelichting en jurisprudentie. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verwierp dit betoog en bevestigde het oordeel van de rechtbank.
De Afdeling benadrukte dat artikel 3.9, eerste lid, van de Wabo duidelijk stelt dat het bevoegd gezag binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag beslist, wat betekent dat de termijn de dag na ontvangst begint. De aangehaalde memorie van toelichting en jurisprudentie boden geen grond voor een afwijkende uitleg. Het bestreden besluit is daarmee bevoegd genomen en het hoger beroep ongegrond.
Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak van de rechtbank Overijssel van 12 augustus 2019 werd bevestigd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dat de beslistermijn start op de dag na ontvangst van de aanvraag, waardoor het college bevoegd was het besluit te weigeren.