ECLI:NL:RVS:2021:621
Raad van State
- Hoger beroep
- R. Uylenburg
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- A. ten Veen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit maatwerkvoorschriften geurhinder meststoffeninrichting Noord-Brabant
Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant stelde op 25 april 2018 maatwerkvoorschriften vast voor de meststoffeninrichting van appellante in Helmond vanwege geurhinder die het aanvaardbaar niveau zou overschrijden. Appellante en een belanghebbende stelden hiertegen beroep in. De rechtbank Oost-Brabant vernietigde enkele voorschriften gedeeltelijk, waarna appellante en belanghebbende hoger beroep instelden bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat de rechtbank buiten de grenzen van het geding is getreden door te oordelen dat geurvoorschriften uit de vergunning van 2014 als maatwerkvoorschriften blijven gelden. Tevens heeft het college het aanvaardbaar geurhinderniveau onjuist vastgesteld door niet de normen voor bestaande activiteiten uit de Beleidsregel industriële geur Noord-Brabant te hanteren, maar die voor nieuwe activiteiten. Dit is strijdig met de duidelijke beleidsdefinities.
Verder is geoordeeld dat het college terecht meerdere soorten maatwerkvoorschriften naast elkaar kan stellen, dat een onderzoeksverplichting als maatwerkvoorschrift is toegestaan, maar dat een maatwerkvoorschrift dat slechts een verduidelijking van de vergunning betreft niet op grond van artikel 2.7a, vierde lid, kan worden gesteld. De Afdeling vernietigt het besluit van 25 april 2018 in zijn geheel en bepaalt dat tegen een nieuw besluit alleen beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het besluit van 25 april 2018 tot vaststelling van maatwerkvoorschriften wordt geheel vernietigd.