ECLI:NL:RVS:2021:650
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting en voor opvang vreemdeling in hoger beroep
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde op 5 oktober 2020 de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk. De vreemdeling stelde daartegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 2 november 2020 ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overweegt dat het verzoek om een voorlopige voorziening gegrond is en bepaalt dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet totdat het hoger beroep is beslist. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van de vreemdeling, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De uitspraak is gedaan op 30 maart 2021 en betreft een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 lid 3 van de Algemene wet bestuursrecht. Hiermee wordt de positie van de vreemdeling in afwachting van het hoger beroep beschermd.
Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.