ECLI:NL:RVS:2021:651
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- J.Th. Drop
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf vreemdelingen na hoger beroep
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 2 februari 2018 de aanvragen van de vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een bezwaarprocedure handhaafde de staatssecretaris dit besluit. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen.
De staatssecretaris en de vreemdelingen stelden beiden hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de staatssecretaris zich onjuist had beroepen op het ontbreken van aanspraak op bepalingen van de Gezinsherenigingsrichtlijn en de Dublinverordening. Tevens was het standpunt van de staatssecretaris dat de referent niet alleenstaand was, onjuist, aangezien de referent niet daadwerkelijk onder de hoede stond van zijn oom.
Het incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen werd verworpen omdat het geen nieuwe relevante rechtsvragen bevatte. De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdelingen.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt het vonnis van de rechtbank en verklaart de hoger beroepen ongegrond.