ECLI:NL:RVS:2021:74
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling na afwijzing asielverzoek
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 13 januari 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank, die bij tussenuitspraak de staatssecretaris de gelegenheid gaf het besluit te motiveren. Na nadere motivering vernietigde de rechtbank het besluit bij einduitspraak van 9 december 2020, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 15 januari 2021 besloten dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, bestaande uit kosten van rechtsbijstand door een derde.
Deze voorlopige voorziening is getroffen op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht en volgt eerdere jurisprudentie van de Afdeling. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter A.W.M. Bijloos, met griffier N. Tibold.
Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet proceskosten vergoeden.