ECLI:NL:RVS:2021:754

Raad van State

Datum uitspraak
8 april 2021
Publicatiedatum
9 april 2021
Zaaknummer
202101594/4/R1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verschoning
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:19 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek om verschoning van staatsraad Daalder wegens schijn van vooringenomenheid

Staatsraad Daalder, lid van de meervoudige kamer die zaak nr. 202101594/3/R1 behandelde, heeft verzocht zich te mogen verschonen in verband met een wrakingsverzoek in zaak nr. 202101594/2/R1. Dit verzoek volgde nadat bleek dat de verzoeker om wraking en diens echtgenote partij waren in een eerdere procedure bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) uit 2003, waarbij staatsraad Daalder als advocaat de Nederlandse regering vertegenwoordigde.

Om elke schijn van vooringenomenheid te voorkomen, heeft staatsraad Daalder het verzoek tot verschoning ingediend. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het verzoek gegrond is en wijst het toe. Hiermee wordt de onpartijdigheid van de rechterlijke behandeling gewaarborgd.

De beslissing is genomen door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, met voorzitter R. Uylenburg en leden C.H.M. van Altena en C.M. Wissels, waarbij de voorzitter en griffier verhinderd waren de uitspraak te ondertekenen. De uitspraak werd op 8 april 2021 in het openbaar gedaan.

Uitkomst: Het verzoek om verschoning van staatsraad Daalder wordt toegewezen wegens schijn van vooringenomenheid.

Uitspraak

202101594/4/R1.
Datum beslissing: 8 april 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op het verzoek om verschoning (ex artikel 8:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) van:
mr. E.J. Daalder (hierna: staatsraad Daalder)
Procesverloop
Staatsraad Daalder heeft, als lid van de meervoudige kamer belast met de behandeling van zaak nr. 202101594/3/R1, die op 6 april 2021 ter zitting is behandeld, het verzoek gedaan zich te mogen verschonen ten aanzien van deze zaak. Deze zaak betreft een wrakingsverzoek in zaak nr. 202101594/2/R1, die eveneens op 6 april 2021 ter zitting is behandeld.
Overwegingen
1.       Ingevolge artikel 8:19, eerste lid, van de Awb kan op grond van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:15 elk Pro van de rechters die een zaak behandelen, verzoeken zich te mogen verschonen.
Ingevolge artikel 8:15 kan Pro op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.       Staatsraad Daalder heeft te kennen gegeven dat hem na de behandeling ter zitting van zaak nr. 202101594/3/R1 is gebleken dat de verzoeker om wraking en zijn echtgenote partij zijn geweest in de procedure die heeft geleid tot het arrest van het EHRM van 6 mei 2003, Kleyn e.a. tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2003:0506JUD003934398. Staatsraad Daalder heeft in die zaak als advocaat mede de Nederlandse regering vertegenwoordigd. De indiener van het wrakingsverzoek heeft ter toelichting op zijn verzoek een beroep op dit arrest gedaan. Om iedere schijn van vooringenomenheid bij de behandeling van de zaak te voorkomen, heeft staatsraad Daalder verzocht zich te mogen verschonen.
3.       Gezien deze motivering acht de Afdeling de inwilliging van het verzoek gerechtvaardigd.
4.       Het verzoek wordt toegewezen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek toe.
Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2021
670.