ECLI:NL:RVS:2021:879
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H. Troostwijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling persoonlijke betrokkenheid bij misdrijven in Eritrees leger en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
De vreemdeling, afkomstig uit Eritrea, had een machtiging tot voorlopig verblijf aangevraagd, welke door de staatssecretaris werd afgewezen wegens vermoedelijke betrokkenheid bij ernstige misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. De rechtbank had dit besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering over persoonlijke betrokkenheid.
De Raad van State oordeelt dat de staatssecretaris wel degelijk een deugdelijke, persoonsgerichte beoordeling heeft gemaakt, waarbij hij de verklaringen van de vreemdeling en gezaghebbende bronnen over het repressieve regime in het Eritrese kamp heeft betrokken. De vreemdeling bekleedde een leidinggevende positie en gaf zelf aan bevelen te hebben doorgegeven die leidden tot foltering en andere misdrijven.
De Raad stelt vast dat de vreemdeling niet als positieve uitzondering binnen het systeem kan worden gezien, gelet op zijn carrière en ongeloofwaardige ontkenningen. De persoonlijke deelname aan misdrijven is voldoende aannemelijk gemaakt, waardoor het hoger beroep van de staatssecretaris slaagt en het beroep ongegrond wordt verklaard.
Daarnaast is de procedure langer dan de redelijke termijn van vier jaar voortgeduurd, waardoor de vreemdeling recht heeft op een immateriële schadevergoeding van €1.000,00. Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond, waarbij de vreemdeling een schadevergoeding ontvangt wegens overschrijding van de redelijke termijn.