ECLI:NL:RVS:2021:931
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- H. Troostwijk
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Nederlanderschap en ongewenstverklaring wegens deelname aan terroristische organisatie
Appellante, geboren met de Marokkaanse nationaliteit en later Nederlander geworden via haar vader, is sinds eind 2013 in Syrië en vervulde in 2017 een leidinggevende rol bij het Nusaybah bataljon, onderdeel van ISIS. De staatssecretaris trok haar Nederlanderschap in en verklaarde haar ongewenst vanwege haar betrokkenheid bij deze terroristische organisatie.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante ongegrond en deze uitspraak werd in hoger beroep bevestigd. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het hoger beroep ontvankelijk was en dat de staatssecretaris terecht het Nederlanderschap introk op grond van artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Er was geen strafrechtelijke veroordeling vereist en het individueel ambtsbericht van de AIVD vormde een voldoende grondslag, ondanks dat de onderliggende stukken niet konden worden ingezien vanwege ontbrekende toestemming.
Verder oordeelde de Afdeling dat appellante een gevaar vormt voor de nationale veiligheid en dat de ongewenstverklaring niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro, mede omdat zij vrijwillig Nederland verliet en zich vestigde in een door ISIS gecontroleerd gebied. Het belang van de nationale veiligheid en internationale betrekkingen weegt zwaarder dan het privé- en gezinsleven van appellante. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van het Nederlanderschap en de ongewenstverklaring van appellante worden bevestigd wegens haar deelname aan ISIS en het vormen van een bedreiging voor de nationale veiligheid.