ECLI:NL:RVS:2020:3045
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Nederlanderschap wegens terroristische veroordeling en beoordeling discriminatie en proportionaliteit
Appellant, met de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit, kreeg zijn Nederlanderschap ingetrokken na een onherroepelijke veroordeling voor terroristische misdrijven. De staatssecretaris handhaafde het besluit ondanks bezwaren van appellant over procedurele tekortkomingen en het ontbreken van rapporten over resocialisatie.
De rechtbank oordeelde dat de intrekking geen punitieve sanctie is en niet in strijd met het ne-bis-in-idembeginsel, een oordeel dat de Raad van State bevestigt. De intrekking is een bestuursrechtelijke maatregel gericht op het beëindigen van de band met Nederland vanwege ernstige schending van essentiële staatsbelangen.
Appellant voerde aan dat de intrekking discrimineert op grond van nationaliteit, ras en religie, en dat de belangenafweging onvoldoende was. De Raad van State stelt dat het onderscheid objectief gerechtvaardigd is door verdragsrechtelijke verplichtingen ter voorkoming van staatloosheid en het beschermen van staatsbelangen. De proportionaliteitstoets door de staatssecretaris werd als deugdelijk beoordeeld.
Verder oordeelt de Raad dat het lex-certabeginsel niet is geschonden, omdat de intrekking gebaseerd is op een veroordeling die onherroepelijk werd na inwerkingtreding van de relevante wetswijziging. Prejudiciële vragen zijn niet nodig voor de beslechting van dit geschil.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van het Nederlanderschap blijft in stand.
Uitkomst: De intrekking van het Nederlanderschap van appellant wegens terroristische veroordeling wordt bevestigd.