ECLI:NL:RVS:2021:957

Raad van State

Datum uitspraak
4 mei 2021
Publicatiedatum
4 mei 2021
Zaaknummer
202006320/1/A3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag Nederlands paspoort voor minderjarige zoon

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister van Buitenlandse Zaken om de aanvraag voor een Nederlands paspoort voor haar minderjarige zoon niet in behandeling te nemen. Zij beroept zich op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, verwijzend naar het feit dat haar oudste zoon wel een Nederlands paspoort heeft ontvangen.

De rechtbank Den Haag heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard, waarna appellante hoger beroep heeft ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft het onderzoek gesloten zonder zitting, aangezien geen van de partijen gebruik wilde maken van het recht om gehoord te worden.

De Afdeling oordeelt dat de minister zich deugdelijk heeft gemotiveerd en dat appellante geen nieuwe gronden heeft aangevoerd die de eerdere weerlegging onjuist maken. Het beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202006320/1/A3.
Datum uitspraak: 4 mei 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellante], mede namens haar minderjarige zoon [zoon],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 oktober 2020 in zaak nr. 19/7941 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
Procesverloop
Bij besluit van 20 maart 2019 heeft de minister medegedeeld de aanvraag van [appellante] voor een Nederlands paspoort voor haar minderjarige zoon [zoon] niet in behandeling te nemen.
Bij besluit van 12 november 2019 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 oktober 2020 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1.       [appellante] beroept zich op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Daartoe voert zij aan dat haar oudste zoon wel in het bezit is gesteld van een Nederlands paspoort.
2.       In de aangevallen uitspraak is de rechtbank op die gronden ingegaan. [appellante] heeft in het hogerberoepschrift geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld, dat [appellante] aan het feit dat haar oudste zoon in het bezit is gesteld van een Nederlands paspoort, geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat [zoon] het Nederlanderschap bezit. Het aangevoerde leidt niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.
Het betoog faalt.
3.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
w.g. Bijloos
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Sparreboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2021
195-836.