ECLI:NL:RVS:2021:990
Raad van State
- Hoger beroep
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing tegemoetkoming planschade voor woonschepen in Amsterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees op 4 december 2018 een aanvraag van appellant om tegemoetkoming in planschade af. De aanvraag betrof schade door waardevermindering van twee woonschepen en aangrenzende tuin en opstallen als gevolg van planologische besluiten voor hoogbouw en een brug nabij de ligplaatsen.
Het college stelde dat de woonschepen geen onroerende zaken zijn omdat zij niet duurzaam met de bodem of oever zijn verenigd, en dat alleen schade aan onroerende zaken voor tegemoetkoming in aanmerking komt op grond van artikel 6.1 Wro. Daarnaast ontbrak bewijs van eigendom van de grond, die volgens het kadaster eigendom is van de gemeente.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant voerde aan dat de woonschepen en de bijbehorende grond onroerend zijn en verwees naar jurisprudentie en het feit dat hij onroerendezaakbelasting betaalt. De Afdeling oordeelt dat de woonschepen verplaatsbaar zijn en dus roerende zaken, en dat het betalen van onroerendezaakbelasting niet relevant is voor de Wro.
Verder stelde appellant dat hij eigenaar is geworden van de tuin en opstallen door verkrijgende verjaring. De Afdeling benadrukt dat dit een civielrechtelijke kwestie is en dat het college zich mocht baseren op het kadaster zolang geen civiel oordeel is gegeven. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de tegemoetkoming in planschade bevestigd.