ECLI:NL:RVS:2022:1068
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toevoeging rechtsbijstand bij zakelijk geschil wegens ontbreken noodzakelijkheid voor voortbestaan bedrijf
De appellant heeft bij de raad voor rechtsbijstand een toevoeging aangevraagd voor rechtsbijstand in twee zaken, welke zijn afgewezen omdat het geschil zakelijk van aard is en op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) geen toevoeging wordt verstrekt voor zakelijke geschillen, tenzij uitzonderlijk het voortbestaan van het bedrijf afhankelijk is van de rechtsbijstand.
De appellant voerde aan dat zijn bedrijf in gevaar was en dat hij als startende ondernemer geen middelen had om zich te verzekeren tegen rechtsbijstandskosten, waardoor het weigeren van de toevoeging in strijd zou zijn met de artikelen 6 en 13 van het EVRM. De rechtbank oordeelde dat de raad terecht de toevoeging had geweigerd omdat de appellant geen financiële gegevens had verstrekt om de noodzakelijkheid aan te tonen.
De Raad van State stelt dat het op de weg van appellant ligt om aannemelijk te maken dat de uitzonderingsbepaling van toepassing is, bijvoorbeeld door het overleggen van jaarcijfers. Het enkele betoog dat de stukken niet bestaan, volstaat niet. Ook oordeelt de Raad dat het weigeren van de toevoeging niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces en toegang tot de rechter zoals gewaarborgd in het EVRM.
De Raad van State bevestigt daarom de uitspraken van de rechtbank waarin de beroepen van appellant ongegrond zijn verklaard en wijst het hoger beroep af. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de toevoeging voor rechtsbijstand omdat niet is aangetoond dat de procedures noodzakelijk zijn voor het voortbestaan van het bedrijf.