ECLI:NL:RVS:2022:1072
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking vergoedingen rechtsbijstand in High Trust-programma
De zaak betreft het hoger beroep van een advocaat tegen de intrekking van eerder vastgestelde vergoedingen voor verleende rechtsbijstand aan een cliënt, op grond van toevoegingen binnen het High Trust-programma van de raad voor rechtsbijstand.
De raad had de vergoedingen ingetrokken omdat niet was voldaan aan de uitzonderingssituatie in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet op de rechtsbijstand, gelet op het (voormalig) bedrijfsmatig rechtsbelang. De rechtbank had het beroep van de advocaat ongegrond verklaard, omdat hij niet zonder meer mocht vertrouwen op het behoud van de vergoedingen.
In hoger beroep betoogde de advocaat dat het vertrouwensbeginsel hem bescherming bood, mede gelet op eerdere toevoegingen voor vergelijkbare zaken. De Afdeling verwierp dit, stellende dat elke toevoeging afzonderlijk beoordeeld moet worden en dat het vertrouwensbeginsel niet strekt tot het afdwingen van toevoegingen die niet voldoen aan de wettelijke criteria. Ook het beroep op de Europese slachtofferrichtlijn faalde, omdat geen sprake was van een strafprocedure.
De Afdeling bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Tevens werd het verzoek tot proceskostenvergoeding afgewezen, omdat de advocaat redelijkerwijs geen proceskosten hoeft te maken voor procedures over vergoeding van verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de vergoedingen bevestigd.