ECLI:NL:RVS:2019:4259
Raad van State
- Hoger beroep
- F.C.M.A. Michiels
- N. Verheij
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vaststelling bedrijfsmatig belang en weigering vergoeding rechtsbijstand na aansprakelijkstelling advocaat
De zaak betreft het hoger beroep van de raad voor rechtsbijstand tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, waarin een vergoeding voor verleende rechtsbijstand aan [persoon A] werd toegekend. [persoon A] had een eenmanszaak geëxploiteerd en was in een procedure aansprakelijk gesteld wegens beroepsfouten van zijn advocaat. De raad had de vergoeding voor rechtsbijstand geweigerd omdat het geschil voortvloeit uit bedrijfsmatig handelen.
De rechtbank oordeelde dat de uitzondering in artikel 12, tweede lid, onder e, sub 2º, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) van toepassing was, omdat de onderneming van [persoon A] meer dan een jaar geleden was beëindigd en hij in de onderliggende procedure als verweerder was betrokken. De raad stelde dat deze uitzondering niet van toepassing was omdat [persoon A] in de aansprakelijkheidsprocedure als eiser optrad.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het geschil inderdaad een bedrijfsmatig karakter heeft, aangezien het voortkomt uit de exploitatie van de onderneming. De uitzondering is echter niet van toepassing omdat [persoon A] in de aansprakelijkheidsprocedure als eiser optrad en niet als verweerder. Het hoger beroep van de raad wordt gegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] ongegrond en de uitspraak van de rechtbank vernietigd. Het beroep bij de rechtbank wordt afgewezen.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst het beroep af omdat het geschil een bedrijfsmatig belang betreft en de uitzondering van artikel 12 Wrb niet van toepassing is.