ECLI:NL:RVS:2022:1080
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A. Verburg
- H.G. Sevenster
- J.J.W.P. van Gastel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Nederlanderschap en ongewenstverklaring wegens deelname aan jihadistische organisaties
Appellant, geboren in Marokko en houder van de Nederlandse nationaliteit via zijn moeder, is in 2020 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het Nederlanderschap ontnomen en ongewenst verklaard wegens deelname aan aan Al-Qaida gelieerde jihadistische organisaties in Syrië. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld.
De Raad van State oordeelt dat de advocaat van appellant bevoegd was het hoger beroep in te stellen, ook zonder direct contact met appellant. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het individueel ambtsbericht, dat appellant verbindt aan terroristische activiteiten, niet betrokken bij de beoordeling wegens het ontbreken van expliciete toestemming van de advocaat.
De Afdeling stelt vast dat intrekking van het Nederlanderschap niet in strijd is met het Europees Verdrag inzake nationaliteit, ook zonder strafrechtelijke veroordeling, omdat deelname aan terroristische organisaties de essentiële belangen van Nederland schaadt. De bezwaren tegen willekeur, discriminatie en schending van artikel 8 EVRM Pro falen eveneens. Ook de ongewenstverklaring wordt bevestigd omdat appellant een gevaar vormt voor de nationale veiligheid.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van het Nederlanderschap en de ongewenstverklaring worden bevestigd.