ECLI:NL:RVS:2022:1087
Raad van State
- Hoger beroep
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving beëindiging permanente bewoning recreatiewoning ondanks persoonlijke omstandigheden en woningmarkt
Appellant had zijn bedrijfswoning verkocht en tijdelijk een recreatiewoning betrokken, waarvoor hij een persoonsgebonden gedoogbeschikking voor permanente bewoning had aangevraagd. Het college van burgemeester en wethouders van Bergen weigerde deze en legde een last onder dwangsom op om de bewoning te beëindigen, omdat deze in strijd was met het bestemmingsplan.
Appellant voerde aan dat de beleidsregels handhaving permanente bewoning niet redelijk waren gezien de krapte op de woningmarkt en dat het college had moeten afzien van handhaving vanwege zijn hoge leeftijd, gezondheid en sociaaleconomische binding. Ook stelde hij dat het college zich niet aan de zorgplicht uit de Grondwet en het IVESCR had gehouden.
De Afdeling oordeelde dat het college terecht handhavend optreedt op grond van het bestemmingsplan en dat de beleidsregels niet onredelijk zijn. De persoonlijke omstandigheden en woningmarktkrapte rechtvaardigen geen opschorting of afwijking van het beleid. Ook is geen sprake van strijd met sociale grondrechten, die niet rechtstreeks toetsbaar zijn door de rechter.
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de handhaving van de beëindiging van permanente bewoning bevestigd.