ECLI:NL:RVS:2014:4401
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Hoekstra
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving beëindiging permanente bewoning recreatiewoning te Lith
Bij besluit van 7 maart 2013 legde het college een last onder dwangsom op aan appellant A om het gebruik van zijn recreatiewoning te Lith voor permanente bewoning te beëindigen. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het handhavingsbesluit, dat door de rechtbank Oost-Brabant ongegrond werd verklaard. In hoger beroep betoogde appellant onder meer dat er concreet zicht op legalisering bestond vanwege een nieuw bestemmingsplan, dat het college onvoldoende op zijn persoonlijke omstandigheden was ingegaan, dat handhaving onevenredig was vanwege zijn gezondheid en financiële situatie, dat de begunstigingstermijn te kort was en dat het college in strijd met het vertrouwensbeginsel handhavend optrad.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het gebruik van de recreatiewoning in strijd was met het bestemmingsplan en dat het college bevoegd was handhavend op te treden. Er was geen concreet zicht op legalisering omdat het nieuwe bestemmingsplan het gebruik niet toestond en het beroep tegen dat plan onvoldoende aanknopingspunten bood voor herziening. Het college had de persoonlijke omstandigheden betrokken en een ruime begunstigingstermijn van ruim een jaar gegeven. Medische en financiële omstandigheden konden niet leiden tot afzien van handhaving. Het langdurig niet handhaven wekte geen gerechtvaardigd vertrouwen dat handhaving niet zou volgen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het handhavingsbesluit bevestigd.