ECLI:NL:RVS:2022:1142
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking toevoeging advocaatvergoeding onterecht bij gescheiden rechtsbelangen in verblijfsprocedures
De Raad voor Rechtsbijstand had een vergoeding voor een toevoeging aan een advocaat ingetrokken omdat werkzaamheden voor twee procedures naar haar oordeel onder één toevoeging vielen. De procedures betroffen het behoud van een verblijfsvergunning onder verschillende beperkingen: eerst een intrekking van een verblijfsvergunning 'uitwisseling' (au pair), daarna een afwijzing van een wijzigingsaanvraag naar 'verblijf bij partner'. De rechtbank oordeelde dat de Raad onterecht de vergoeding had ingetrokken omdat de procedures niet hetzelfde rechtsbelang betroffen en niet nauw verweven waren.
De Raad van State bevestigt dit oordeel en stelt dat het doel en beoogd eindresultaat van de rechtsbijstand in beide procedures verschillend waren, namelijk het herstellen van een ingetrokken verblijfsrecht versus het verkrijgen van een nieuw verblijfsrecht. De intenties van de betrokkene voor het voeren van de procedures zijn niet relevant voor de beoordeling van het rechtsbelang.
Daarnaast vernietigt de Raad van State het deel van de uitspraak waarin de Raad voor Rechtsbijstand werd veroordeeld tot het vergoeden van proceskosten, omdat vaste rechtspraak bepaalt dat een advocaat in een procedure over vergoeding van verleende rechtsbijstand in principe geen proceskosten hoeft te maken, tenzij de zaak uitzonderlijk complex is, wat hier niet het geval was.
De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het deel van de uitspraak over proceskosten en bevestigt de rest van de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De intrekking van de toevoeging was onterecht en de proceskostenveroordeling van de Raad is vernietigd.