ECLI:NL:RVS:2016:2617
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit Raad voor Rechtsbijstand over vergoeding rechtsbijstand advocaat
De zaak betreft het hoger beroep van een advocaat tegen een besluit van de Raad voor Rechtsbijstand waarin de vergoeding voor door hem verleende rechtsbijstand werd vastgesteld op basis van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr). De advocaat had bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de vergoeding en de gedeeltelijke afwijzing van reistijd- en reiskostenvergoeding. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond, waarna de advocaat hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of rechtsbijstand die meer dan vier weken voorafgaand aan de ingangsdatum van de toevoeging werd verleend, voor vergoeding in aanmerking komt. De Raad voor Rechtsbijstand hanteert het beleid dat dergelijke werkzaamheden niet worden vergoed. De advocaat voerde aan dat er bijzondere omstandigheden waren die een afwijking van dit beleid rechtvaardigen, onder meer omdat de toevoegingsaanvraag niet eerder kon worden ingediend vanwege het ontbreken van een aanzeggingsbrief.
De Raad van State oordeelt dat het beleid van de Raad voor Rechtsbijstand rechtmatig is en dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd die een afwijking rechtvaardigen. Tevens is geoordeeld dat het afzien van een hoorzitting in bezwaar terecht was en dat de advocaat geen recht heeft op vergoeding van proceskosten voor de procedure over de vergoeding van rechtsbijstand. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.