Uitspraak
Datum uitspraak: 26 april 2022
BESTUURSRECHTSPRAAK
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard legde appellant een last onder dwangsom op om een mantelzorgwoning te verwijderen die zonder omgevingsvergunning was gebouwd op een perceel met deels een agrarische bestemming. Appellant stelde zich op het standpunt dat hem door een medewerker van de omgevingsdienst vergunningvrij bouwen was toegezegd, en beriep zich op het vertrouwensbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat een dergelijke toezegging was gedaan en dat het college bevoegd was tot handhaving. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat het telefoongesprek op 27 mei 2019 wel degelijk een toezegging inhield en dat de brief van het college feitelijke onjuistheden bevatte.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelde vast dat appellant pas in het handhavingstraject een beroep deed op het vertrouwensbeginsel, wat afbreuk doet aan zijn geloofwaardigheid. Ook bleek uit een e-mail van 24 mei 2019 dat appellant geen concrete plannen voor de bouw had kenbaar gemaakt. De medewerker ontkende de toezegging en het college had geen zicht op legalisatie omdat appellant geen geldige vergunningaanvraag had ingediend.
De voorzieningenrechter wees het hoger beroep af en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het college bevoegd is tot handhaving. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd eveneens afgewezen. De last onder dwangsom blijft van kracht, waarbij appellant de mantelzorgwoning moet verwijderen voor zover deze op agrarische gronden staat.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de last onder dwangsom blijft van kracht.