ECLI:NL:RVS:2022:1283
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 11 september 2018 een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 21 maart 2019 ongegrond werd verklaard. De rechtbank stelde bij uitspraak van 7 juni 2021 het bezwaar deels gegrond en vernietigde het besluit van 21 maart 2019, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand.
De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevat die de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin dienen, aangezien de kwestie reeds eerder door de Afdeling was beantwoord in een uitspraak van 28 februari 2020.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Tevens werd bepaald dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden. Hiermee blijft de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.