ECLI:NL:RVS:2022:1289
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring woningzoekende wegens niet voldoen aan voorwaarden
Appellant woonde sinds mei 2018 in een instelling voor begeleid wonen en vroeg een urgentieverklaring aan omdat zij zich onveilig voelde. Haar huisarts, therapeut en begeleiders onderschreven dat zelfstandige woonruimte met ambulante begeleiding het beste voor haar was. Het college Almere wees het verzoek af omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarde dat zij minimaal twee jaar onafgebroken ingezetene van Almere moest zijn voorafgaand aan het verblijf in de instelling. Tevens vond het college dat appellant niet voldoende had aangetoond dat zij alles had gedaan om het woonprobleem op te lossen.
Appellant stelde dat de rechtbank ten onrechte de hardheidsclausule niet had toegepast en dat het college haar medische situatie niet adequaat had onderzocht. De rechtbank oordeelde dat het college in redelijkheid de hardheidsclausule niet hoefde toe te passen en dat het college voldoende gegevens had om te beslissen zonder nader medisch onderzoek.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde het oordeel van de rechtbank. De gewijzigde woonsituatie van appellant viel buiten het geding. Er was geen bewijs dat appellant niet in de instelling kon blijven of dat zij elders in Almere per se zelfstandige woonruimte nodig had. De enkele omstandigheid van miscommunicatie tussen gemeenten was onvoldoende voor toepassing van de hardheidsclausule. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het college hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de urgentieverklaring is bevestigd.