ECLI:NL:RVS:2022:1299
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- J.M.L. Niederer
- W. den Ouden
- Rechtspraak.nl
Vaststelling weigering verklaring omtrent het gedrag voor rechtspersoon wegens justitiële antecedenten
De minister voor Rechtsbescherming wees de aanvraag van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) voor een rechtspersoon af, omdat de aanvrager en haar bestuurder meerdere justitiële veroordelingen hadden, waaronder valsheid in geschrift en overtreding van de Meststoffenwet.
De rechtbank verklaarde het beroep van de aanvrager ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de minister terecht het objectieve criterium toepaste en dat de veroordelingen, ook al waren ze niet onherroepelijk, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de bedrijfsactiviteiten waarvoor de VOG is aangevraagd.
Hoewel de aanvrager stelde dat zij financieel benadeeld was door het niet vooraf kunnen indienen van een zienswijze, verwierp de Afdeling dit omdat de minister ook in de bezwaarprocedure geen ander besluit nam. De Afdeling vernietigde wel het deel van de uitspraak waarin de proceskostenvergoeding werd afgewezen en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Voor het overige werd de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt de afwijzing van de VOG-aanvraag, maar veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.