ECLI:NL:RVS:2022:1498
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering drank- en horecavergunning na sluiting op grond van Opiumwet
De burgemeester van Hengelo trok op 29 oktober 2018 de drank- en horecavergunning van appellant voor zijn horecabedrijf in en besloot dat gedurende vijf jaar geen nieuwe vergunning wordt verleend zolang appellant vergunninghouder, eigenaar en enig leidinggevende is. Dit volgde op een sluiting van het pand voor twaalf maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet vanwege drugshandel.
De rechtbank oordeelde dat de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de weigering van een vergunning voor vijf jaar gerechtvaardigd was, mede vanwege de negatieve reputatie en de noodzaak om ongewenste klandizie te weren. Wel werd het besluit onvoldoende gemotiveerd geacht, maar de rechtsgevolgen bleven in stand.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de termijn van vijf jaar te lang was, dat hij maatregelen had genomen om herhaling te voorkomen en dat de trage besluitvorming hem schade had berokkend. De Afdeling bestuursrechtspraak verwierp deze bezwaren, oordeelde dat de burgemeester terecht de termijn van vijf jaar had gesteld op grond van het Besluit eisen zedelijk gedrag en dat appellant terecht niet voldeed aan de eis van goed levensgedrag.
De Afdeling bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand konden blijven, omdat een heroverweging geen ander besluit zou opleveren. Ook werd geoordeeld dat appellant als ondernemer bekend had moeten zijn met de voorwaarden voor vergunningverlening en dat de gestelde schade niet het gevolg was van trage besluitvorming.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de drank- en horecavergunning voor vijf jaar bevestigd.