ECLI:NL:RVS:2022:151
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing voorrangsverklaring wegens onvoldoende motivering persoonlijke omstandigheden
Appellante vroeg op 8 april 2019 een voorrangsverklaring aan omdat haar tweekamerwoning te klein was voor haar gezin, dat toen bestond uit haar en twee minderjarige kinderen. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees de aanvraag op 10 juli 2019 af en verklaarde het bezwaar ongegrond op 6 december 2019. De rechtbank vernietigde dit besluit deels wegens een motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de persoonlijke en medische omstandigheden van appellante en haar kinderen niet leiden tot een voorrangsverklaring. Tevens heeft het college niet voldoende rekening gehouden met de belangen van de minderjarige kinderen zoals vereist op grond van artikel 3 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).
De Afdeling stelt dat het college opnieuw moet besluiten, waarbij het de belangen van de kinderen en de persoonlijke omstandigheden adequaat moet meewegen. Het college moet binnen 12 weken een nieuw besluit nemen. Daarnaast wordt het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellante.
Uitkomst: Het besluit van het college om de aanvraag voor een voorrangsverklaring af te wijzen wordt vernietigd en het college moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de belangen van appellante en haar kinderen.