ECLI:NL:RVS:2022:1562
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake verblijfsrecht gemeenschapsonderdaan
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde bij besluit van 17 april 2019 vast dat de vreemdeling geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan meer had. Na bezwaar en een tussenuitspraak van de rechtbank werd het besluit van 5 februari 2021 genomen, waarin rechtmatig verblijf werd vastgesteld vanaf 5 oktober 2020. De rechtbank verklaarde dit besluit gegrond en vernietigde het, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris geen belangenafweging had gemaakt over de toelaatbaarheid van verwijdering. Omdat het besluit van 5 februari 2021 niet tot een verwijderingsmaatregel leidt, was een dergelijke afweging niet vereist. De grieven van de staatssecretaris slaagden, het hoger beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Ook het besluit van 24 augustus 2021, waarin rechtmatig verblijf werd vastgesteld vanaf 5 oktober 2020, werd vernietigd omdat de grondslag daarvoor was komen te vervallen. Het beroep tegen het besluit van 5 februari 2021 werd alsnog ongegrond verklaard en de staatssecretaris hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 5 februari 2021 wordt ongegrond verklaard en het besluit van 24 augustus 2021 wordt vernietigd.