ECLI:NL:RVS:2022:1571

Raad van State

Datum uitspraak
7 juni 2022
Publicatiedatum
2 juni 2022
Zaaknummer
202104712/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf Eritrese vreemdeling

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 6 november 2020 de aanvraag van een Eritrese vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een ongegrond verklaard bezwaar en beroep bij de rechtbank, stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling overwoog dat de staatssecretaris bij de beoordeling van bewijs in Eritrese nareiszaken rekening moet houden met het Algemeen Ambtsbericht Eritrea 2020 en de beperkte beschikbaarheid van documenten. Tevens moet de motivering van het besluit kenbaar en op de zaak toegespitst zijn, met een evenredige bewijswaardering en het toekennen van het voordeel van de twijfel waar passend.

De Afdeling constateerde dat de staatssecretaris dit niet heeft gedaan, onder meer door geen rekening te houden met de leeftijd en omstandigheden van de vreemdeling. Hierdoor was het besluit onvoldoende gemotiveerd en onjuist. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het besluit en de uitspraak van de rechtbank vernietigd, en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens werd de vergoeding van proceskosten en griffierecht aan de vreemdeling toegewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, het besluit en de uitspraak van de rechtbank zijn vernietigd, en de staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

202104712/1/V1.
Datum uitspraak: 7 juni 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 24 juni 2021 in zaak nr. 21/816 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 6 november 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 18 januari 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 juni 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H. Klein Hesselink, advocaat te Terneuzen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       De vreemdeling klaagt in grief 1 dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris de mvv-aanvraag terecht heeft afgewezen. De vreemdeling voert hiertoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling de familierelatie tussen haar en referent niet aannemelijk heeft gemaakt.
1.1.    In de uitspraak van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:245, heeft de Afdeling het beoordelingskader in (Eritrese) nareiszaken uiteengezet en genuanceerd. Ook is de Afdeling daarbij ingegaan op de informatie in het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van november 2020 (AA 2020) over de (beperkte) beschikbaarheid van Eritrese documenten. Uit die uitspraak volgt dat de staatssecretaris al het geleverde bewijs in onderlinge samenhang moet bezien, rekening moet houden met alle relevante elementen en moet zorgen dat de eisen die hij aan het bewijs stelt evenredig zijn aan die elementen. Ook moet de staatssecretaris kenbaar en op de zaak toegespitst motiveren of die vreemdeling het voordeel van de twijfel verdient. In Eritrese nareiszaken moet de staatssecretaris bij zijn beoordeling bovendien rekening houden met de informatie in het AA 2020 over de beschikbaarheid van Eritrese documenten en wat de Afdeling hierover in eerdergenoemde uitspraak van 26 januari 2022 heeft overwogen. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris dat in het besluit van 18 januari 2021 ten onrechte niet heeft gedaan. De staatssecretaris heeft hierin bijvoorbeeld geen rekening gehouden met de leeftijd van de vreemdeling en de omstandigheden waarin zij verkeert. Alleen al daarom slaagt de grief.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 18 januari 2021 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet een nieuw besluit op bezwaar nemen. Bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar zal de staatssecretaris ook de vraag moeten beantwoorden of de door de vreemdeling ingeschakelde voormalig Eritrese rechter in burgerlijke zaken, die voor haar een rapport heeft opgesteld, een deskundige is en, zo ja, of de door de vreemdeling voor het rapport gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Grieven 2 en 3 hoeven daarom geen bespreking. De staatssecretaris moet de proceskosten en het in beroep geheven griffierecht vergoeden. Omdat de griffier in hoger beroep geen griffierecht heeft geheven, hoeft de staatssecretaris dat niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 24 juni 2021 in zaak nr. 21/816;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van 18 januari 2021, V-[…];
V.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.277,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI.      gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 181,00, voor de behandeling van het beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. Verheij
voorzitter
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2022
282-966