ECLI:NL:RVS:2022:1873
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bewonersvergunning vanwege stallingsplaats en gelijke behandeling
Appellant beschikte op zijn vorige adres over een parkeervergunning voor bedrijven en vroeg na verhuizing naar een nieuw adres in Amsterdam-Zuidoost om omzetting naar een bewonersvergunning. Het college weigerde deze vergunning omdat appellant één auto heeft en over een stallingsplaats beschikt, wat volgens de Parkeerverordening 2013 geen recht op bewonersvergunning geeft.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het feit dat de auto niet in de garage past voor eigen rekening komt en dat appellant meerdere parkeerplaatsen bezit binnen het vergunninggebied. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de garage te klein is en dat de parkeerplaatsen die hij bezit buiten het vergunninggebied liggen en niet aan hem ter beschikking staan.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellant geen recht heeft op een bewonersvergunning omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden van de Parkeerverordening 2013. De hardheidsclausule werd niet toegepast omdat de parkeerplaatsen binnen redelijke afstand liggen en appellant zelf kiest deze te verhuren. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat vergelijkbare gevallen gelijk worden behandeld, met intrekkingen van vergunningen waar nodig.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de afwijzing van de bewonersvergunning wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.