ECLI:NL:RVS:2022:2

Raad van State

Datum uitspraak
3 januari 2022
Publicatiedatum
30 december 2021
Zaaknummer
202106824/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:69 AwbArt. 8:115 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank en terugwijzing in zaak afwijzing verblijfsvergunning asiel

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 11 december 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 4 oktober 2021 het beroep ongegrond verklaarde. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet gemotiveerd heeft gereageerd op de grieven van de vreemdeling. Deze had onder meer aangevoerd dat zijn asielrelaas onterecht ongeloofwaardig werd geacht, waarbij hij toelichtte waarom de staatssecretaris zijn verklaring over het verkrijgen van het paspoort en zijn reizen naar Tsjaad onterecht vreemd vond. Ook verwees hij naar landeninformatie ter onderbouwing van zijn stelling dat hij door deelname aan demonstraties in negatieve belangstelling van de Tsjadische autoriteiten staat.

De rechtbank had deze gronden niet expliciet betrokken in haar oordeel, wat in strijd is met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor herbehandeling. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.

Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor herbehandeling.

Uitspraak

202106824/1/V2.
Datum uitspraak: 3 januari 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 oktober 2021 in zaak nr. NL20.22062 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 11 december 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 4 oktober 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Bakker, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       De vreemdeling klaagt in zijn grieven terecht dat de rechtbank ten onrechte niet gemotiveerd is ingegaan op wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. In zijn beroepsgronden heeft de vreemdeling aangevoerd dat en waarom de staatssecretaris zijn asielrelaas, dat hij in de negatieve aandacht staat van de Tsjadische autoriteiten en daarom wordt gezocht, ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Zo heeft hij toegelicht waarom de staatssecretaris bijvoorbeeld de wijze waarop hij het paspoort heeft verkregen en dat hij gemakkelijk Tsjaad kon in- en uitreizen ten onrechte vreemd heeft geacht. Ook heeft de vreemdeling verwezen naar landeninformatie ter onderbouwing van zijn stelling dat hij door deelname aan verschillende demonstraties in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. De rechtbank is daar niet op ingegaan. Door deze beroepsgronden niet uitdrukkelijk in haar oordeel te betrekken, heeft de rechtbank in strijd gehandeld met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb waarin, voor zover hier van belang, is bepaald dat uitspraak wordt gedaan op de grondslag van het beroepschrift. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 20 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:538.
1.1.    De grieven slagen.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 oktober 2021 in zaak nr. NL20.22062;
III.      wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV.      veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Baldinger, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Baldinger
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2022
307-968