ECLI:NL:RVS:2022:2033

Raad van State

Datum uitspraak
18 juli 2022
Publicatiedatum
18 juli 2022
Zaaknummer
202104517/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vw 2000Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing aanvraag verblijfsdocument gemeenschapsonderdaan

De vreemdeling had bij besluit van 30 oktober 2019 een aanvraag ingediend voor een document op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, dat rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan moest aantonen. Deze aanvraag werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen. De vreemdeling maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna hij beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep eveneens ongegrond. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling stelde vast dat de aanvraag van de vreemdeling voor het betreffende document inmiddels was ingewilligd bij besluit van 28 september 2021. De vreemdeling handhaafde het hoger beroep echter om een eerdere ingangsdatum van het verblijfsrecht te verkrijgen. De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris niet bevoegd is om de ingangsdatum van het verblijfsrecht vast te stellen en dat de vreemdeling dit via de rechter moet laten toetsen.

Daarom ontbrak het aan procesbelang bij het hoger beroep en werd dit niet-ontvankelijk verklaard. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 18 juli 2022.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

202104517/1/V2.
Datum uitspraak: 18 juli 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 16 juni 2021 in zaak nr. 20/902 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 30 oktober 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Bij besluit van 20 januari 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 juni 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. Karkache, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend. De vreemdeling heeft daarop gereageerd.
Overwegingen
1.       De staatssecretaris heeft de Afdeling laten weten dat een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een artikel 9-document inmiddels is ingewilligd bij besluit van 28 september 2021. Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de vreemdeling de Afdeling bij brief van 12 oktober 2021 laten weten dat hij het hoger beroep handhaaft, omdat hij daarmee een eerdere ingangsdatum van het verblijfsrecht beoogt.
2.         De Afdeling is van oordeel dat de vreemdeling geen procesbelang bij het hoger beroep heeft. De staatssecretaris is namelijk niet bevoegd om de ingangsdatum van een rechtstreeks aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht vast te stellen. De afgifte van een artikel 9-document kan daarom niet ook betrekking hebben op de ingangsdatum van het rechtmatig verblijf (uitspraak van de Afdeling van 28 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1145). Uit die uitspraak volgt ook dat als de vreemdeling het niet eens is met een beslissing over aanspraken op rechten waarvoor de ingangsdatum van het rechtmatig verblijf van belang is, hij die beslissing zelf kan laten toetsen bij de rechter. Dit betekent dat de vreemdeling met het hoger beroep niet (meer) kan bereiken wat hij daarmee beoogt.
3.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2022
363-984