ECLI:NL:RVS:2022:2034
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel na ongegrond hoger beroep
De vreemdeling, afkomstig uit Iran, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 11 juni 2021 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar de staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep.
De kern van het geschil betrof de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling gestelde inval door de Iraanse veiligheidsdienst Sepah in haar woning. De rechtbank was niet ingegaan op het standpunt van de staatssecretaris dat deze gang van zaken onrealistisch was, hetgeen de vreemdeling terecht aanvoerde. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat deze motivering niet tot vernietiging van de uitspraak leidt, omdat de staatssecretaris terecht twijfelde aan de geloofwaardigheid gezien het ontbreken van basale details en het feit dat de vreemdeling na de vermeende inval geen problemen meer had ondervonden.
De overige grieven van de vreemdeling werden niet nader gemotiveerd omdat zij geen vragen bevatten die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd met verbetering van de gronden. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.