ECLI:NL:RVS:2022:2058
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering watervergunning voor woonboot en voorzieningen aan rivierbed vanwege strijd met Waterwet en Beleidsregels grote rivieren
De minister van Infrastructuur en Waterstaat weigerde een watervergunning aan appellant voor het behouden van een woonboot, steiger, loopbrug en gastank op zijn perceel aan de Bergsche Maas. Appellant exploiteert een waterbouwbedrijf en wilde deze objecten legaliseren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de aanvraag betrekking had op een woonboot met voorzieningen, die niet als tijdelijke of activiteiten van ondergeschikt belang konden worden aangemerkt. Ook kwalificeerden de activiteiten van appellant niet als riviergebonden activiteiten zoals omschreven in de Beleidsregels grote rivieren. De Beleidsregels zijn een limitatieve lijst van toegestane activiteiten in het stroomvoerende rivierbed, gericht op bescherming van de rivierkundige functies.
Appellant voerde aan dat de weigering onevenredig was en in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel, maar de Afdeling oordeelde dat de minister terecht het beleid handhaafde en dat eerdere vergunningen aan andere bedrijven niet vergelijkbaar waren. De onteigening van het perceel en demping van de insteekhaven maakten tijdelijke vergunningverlening niet aan de orde.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de watervergunning voor de woonboot en voorzieningen aan het perceel.