ECLI:NL:RVS:2022:2169
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Verklaring Omtrent het Gedrag na zedendelict bij stage Leraar Lichamelijke Opvoeding
De minister voor Rechtsbescherming wees de aanvraag van appellant voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) af vanwege een in het Justitieel Documentatie Systeem geregistreerde rechtszaak wegens seksueel binnendringen van een persoon beneden 16 jaar. Appellant wilde de opleiding Leraar Lichamelijke Opvoeding volgen, waarvoor een VOG vereist is.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht geen schending van de onschuldpresumptie beging en dat het objectieve criterium was vervuld, omdat het strafbare feit, indien herhaald, een belemmering vormt voor de functie. Ook het subjectieve criterium werd door de rechtbank juist toegepast: de bescherming van de samenleving woog zwaarder dan het individuele belang van appellant.
In hoger beroep voerde appellant aan dat sprake was van instemming, dat de Officier van Justitie een lage straf had geëist en dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden en positieve gedragsverandering. De Afdeling oordeelde echter dat het objectieve criterium losstaat van de persoon en dat het subjectieve criterium slechts zeer beperkt ruimte biedt bij zedendelicten met gezagsrelatie. De weigering was niet evident disproportioneel.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Appellant staat vrij een nieuwe aanvraag in te dienen na verloop van tijd.
De uitspraak benadrukt het belang van de bescherming van de samenleving bij functies met gezagsrelatie en de strenge toetsing bij zedendelicten, ook wanneer persoonlijke omstandigheden worden meegewogen.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt de afwijzing van de VOG-aanvraag vanwege het geregistreerde zedendelict en het niet evident disproportioneel zijn van de weigering.