ECLI:NL:RVS:2022:220

Raad van State

Datum uitspraak
26 januari 2022
Publicatiedatum
26 januari 2022
Zaaknummer
202105650/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende onderzoek risico's terugkeer Iran

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 14 augustus 2020 en 1 oktober 2020 de asielaanvragen van twee vreemdelingen af. De rechtbank verklaarde deze beroepen op 3 augustus 2021 ongegrond. De vreemdelingen stelden hoger beroep in bij de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende onderzoek had verricht naar de risico's die afvalligen en atheïsten lopen bij terugkeer naar Iran. Dit oordeel sluit aan bij een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RVS:2022:93) waarin werd benadrukt dat een gedegen beoordeling vereist is wanneer afvalligheid of atheïsme als geloofwaardig wordt geacht.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de besluiten van de staatssecretaris. De staatssecretaris moet de aanvragen opnieuw beoordelen rekening houdend met de actuele feiten en omstandigheden. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 3.415,50.

Uitkomst: De besluiten tot afwijzing van de asielaanvragen worden vernietigd en de staatssecretaris moet de aanvragen opnieuw beoordelen.

Uitspraak

202105650/1/V2.
Datum uitspraak: 26 januari 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 3 augustus 2021 in zaak nrs. NL20.16350 en NL20.17973 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluiten van 14 augustus 2020 en van 1 oktober 2020 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen respectievelijk opnieuw afgewezen.
Bij uitspraak van 3 augustus 2021 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. P. Scholtes, advocaat te Delft, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       De vierde grief gaat over het onderzoek en de beoordeling van de staatssecretaris naar de risico's die afvalligen en atheïsten lopen bij terugkeer naar Iran. In de uitspraak van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:93, heeft de Afdeling overwogen dat de staatssecretaris beter moet onderzoeken en beoordelen of een vreemdeling van wie hij de afvalligheid of het atheïsme geloofwaardig heeft geacht bij terugkeer naar Iran een risico loopt op vervolging of onmenselijke behandeling. Dat moet hij in deze zaak ook doen. De grief slaagt.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De beroepen zijn gegrond en de besluiten van 14 augustus 2020 en 1 oktober 2020 worden vernietigd. Omdat de staatssecretaris opnieuw op de aanvragen moet beslissen en daarbij rekening moet houden met de feiten en omstandigheden zoals die op dat moment zijn, is het niet nodig wat de vreemdelingen verder in hoger beroep en in de beroepen hebben aangevoerd te bespreken. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 3 augustus 2021 in zaak nrs. NL20.16350 en NL20.17973;
III.      verklaart de beroepen gegrond;
IV.      vernietigt de besluiten van 14 augustus 2020, V-[…], en van 1 oktober 2020, V-[…];
V.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van de beroepen en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.415,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Tibold
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2022
853