ECLI:NL:RVS:2022:2396
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing zorgtoeslag en terugvordering wegens te hoog vermogen
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen een besluit van de Belastingdienst/Toeslagen waarbij het recht op zorgtoeslag over 2019 definitief op nihil werd vastgesteld en een bedrag van € 2.323,00 werd teruggevorderd. Dit besluit volgde op een eerdere berekening van het voorschot op de zorgtoeslag en de vaststelling van het inkomen en vermogen door de Basisregistratie inkomen.
De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Appellant voerde onder meer aan dat de Belastingdienst/Toeslagen eerder op de hoogte had kunnen zijn van zijn vermogen, dat de rechtbank niet op alle argumenten was ingegaan en dat hij onheus was bejegend.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen en de inspecteur aparte bestuursorganen zijn, waardoor de Belastingdienst/Toeslagen niet eerder van het vermogen op de hoogte kon zijn. Tevens werd bevestigd dat het recht op zorgtoeslag terecht op nihil is vastgesteld vanwege overschrijding van de grondslag sparen en beleggen volgens de geldende wetgeving.
Verder oordeelde de Afdeling dat de rechtbank geen fouten had gemaakt in de behandeling van het beroep en dat de bejegening door medewerkers geen invloed heeft op de rechtmatigheid van het besluit. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.