ECLI:NL:RVS:2022:2404
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- D.A. Verburg
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over bewaring vreemdeling wegens onduidelijke vertrekverplichting
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 17 maart 2022 in bewaring op grond van zware bewaringsgrond 3c, omdat de vreemdeling Nederland niet binnen de gestelde termijn had verlaten. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond. De vreemdeling stelde in hoger beroep dat de vertrekverplichting alleen op Nederland ziet en niet op de gehele Europese Unie, hetgeen de rechtbank ten onrechte had aangenomen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de staatssecretaris niet duidelijk had gemaakt dat de vertrekverplichting ook de andere lidstaten van de EU omvatte. Hierdoor kon de zware bewaringsgrond 3c niet aan de bewaring ten grondslag worden gelegd. Dit leidt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Andere gronden van het beroep, waaronder de lichte bewaringsgrond 4c en de zware bewaringsgrond 3b, werden door de Afdeling beoordeeld en verworpen omdat deze feitelijk juist waren en voldoende waren om de bewaring te dragen.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank, maar verklaarde het beroep zelf ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd, maar het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.