ECLI:NL:RVS:2022:2422

Raad van State

Datum uitspraak
22 augustus 2022
Publicatiedatum
22 augustus 2022
Zaaknummer
202204479/2/V1.
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 55a Vw 2000Art. 8:81 AwbArt. 8:83 lid 3 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen boetebesluit staatssecretaris

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid legde op 1 december 2020 een boete van €60.075,- op aan appellante wegens een overtreding van artikel 55a van de Vreemdelingenwet 2000. Na bezwaar en beroep werd de boete door de rechtbank Den Haag op 22 juni 2022 herzien tot €30.000,-. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering aan de uitspraak van de rechtbank te voorkomen.

De voorzieningenrechter overwoog dat het verzoek van de staatssecretaris alleen was gebaseerd op een financieel belang, zonder aannemelijk te maken dat appellante niet in staat zou zijn het eventueel terug te vorderen bedrag te betalen. De stelling dat het terugvorderen een onevenredige inspanning zou zijn, was onvoldoende. Er was daarom geen sprake van een spoedeisend belang om een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek werd afgewezen en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante, welke geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd op 22 augustus 2022 in het openbaar gedaan.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

202204479/2/V1.
Datum uitspraak: 22 augustus 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 22 juni 2022 in zaak nr. 21/2082 in het geding tussen:
de staatssecretaris
en
[appellante]
Procesverloop
Bij besluit van 1 december 2020 heeft de staatssecretaris [appellante] een boete opgelegd van € 60.075,00 voor een overtreding als bedoeld in artikel 55a van de Vw 2000.
Bij besluit van 6 april 2021 heeft de staatssecretaris het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 juni 2022 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 april 2021 vernietigd, het besluit van 1 december 2020 herroepen, de boete vastgesteld op € 30.000,00 en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Ook heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
[appellante] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de staatssecretaris geen gevolg hoeft te geven aan de uitspraak van 22 juni 2022 totdat op het hoger beroep is beslist. Het oorspronkelijke bedrag van de boete is namelijk al geheel betaald en als de staatssecretaris uitvoering moet geven aan de uitspraak van de rechtbank, betekent dat dat hij een gedeelte van het bedrag moet terugbetalen aan [appellante].
2.       Met het verzoek wil de staatssecretaris bereiken dat hij geen bedrag hoeft terug te betalen met de kans dat hij dit bij een gegrond hoger beroep later weer in moet vorderen. Aan het verzoek heeft hij dus alleen een financieel belang ten grondslag gelegd, zonder aannemelijk te maken dat de financiële situatie van [appellante] meebrengt dat de staatssecretaris, bij een eventueel succesvol hoger beroep, niet alsnog het oorspronkelijke boetebedrag zou kunnen invorderen. De enkele stelling dat dit een "onevenredige inspanning" aan de zijde van de staatssecretaris zou opleveren, is onvoldoende. Met het verzoek is daarom geen spoedeisend belang gemoeid. Er is dus geen reden om een voorlopige voorziening te treffen.
3.       Het verzoek moet worden afgewezen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        wijst het verzoek af;
II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. B.G.M. Laarhoven, griffier.
w.g. Verburg
voorzieningenrechter
w.g. Laarhoven
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2022
850