ECLI:NL:RVS:2022:2457
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke handhaving beëindiging bewoning bedrijfswoning in strijd met bestemmingsplan
Appellant woont sinds 2000 in een woning die volgens het bestemmingsplan is bestemd als bedrijfswoning bij een glastuinbouwbedrijf. Na beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst met het bedrijf, legde het college een last op om de bewoning te beëindigen wegens strijd met het bestemmingsplan. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigt dit oordeel.
De Afdeling overweegt dat appellant niet langer als personeel kan worden aangemerkt, waardoor de bewoning als burgerwoning in strijd is met het bestemmingsplan. Het beroep op overgangsrecht faalt omdat op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan een arbeidsovereenkomst bestond. Het college had een beginselplicht tot handhaving, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen.
Appellant stelde dat handhaving onevenredig is vanwege zijn langdurige bewoning, het belang van zijn gezin en het ontbreken van afspraken bij beëindiging arbeidsovereenkomst. De Afdeling oordeelt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd hoe het de belangen van appellant en zijn gezin heeft meegewogen, waardoor het besluit op bezwaar niet voldoet aan de motiveringsplicht.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het besluit op bezwaar en het vonnis van de rechtbank, maar handhaving blijft in stand. De dwangsombesluiten worden met terugwerkende kracht geschorst tot zes maanden na verzending van de uitspraak, zodat appellant alsnog kan voldoen. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit op bezwaar en het vonnis van de rechtbank worden vernietigd, de dwangsombesluiten worden geschorst en het college moet proceskosten vergoeden.