ECLI:NL:RVS:2022:2580
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende belangenafweging artikel 8 EVRM
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 16 oktober 2019 de aanvraag van drie vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een ongegrond verklaard bezwaar en een afwijzing door de rechtbank Den Haag, stelden de vreemdelingen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat er geen meer dan normale emotionele banden bestonden tussen de vreemdelingen en hun in Nederland verblijvende dochter of zus. De staatssecretaris had niet de vereiste volledige belangenafweging gemaakt zoals vereist op grond van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
De Afdeling vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en droeg de staatssecretaris op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij een volledige belangenafweging moet worden gemaakt. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 2.277,00. De griffierechten hoefden niet te worden vergoed omdat deze niet waren geheven.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, het bestreden besluit en uitspraak zijn vernietigd en de staatssecretaris is opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen met een volledige belangenafweging.