ECLI:NL:RVS:2022:2600
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening schorsing intrekking Nederlanderschap wegens onuitzetbaarheid
Bij besluit van 7 mei 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het Nederlanderschap van verzoeker ingetrokken. Verzoeker maakte bezwaar en stelde beroep in bij de rechtbank, dat ongegrond werd verklaard. Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Verzoeker vroeg om een voorlopige voorziening om de rechtsgevolgen van de intrekking te schorsen in afwachting van de uitspraak in hoger beroep. De voorzieningenrechter oordeelde dat de meeste beroepsgronden niet geschikt zijn voor beoordeling in deze voorlopige voorzieningsprocedure en dat een belangenafweging moet plaatsvinden.
De belangen van verzoeker betreffen het rechtmatig verblijf in Nederland en het kunnen onderhouden van contact met zijn drie pleegkinderen. De staatssecretaris wil verzoeker als vreemdeling behandelen, omdat hij de band met Nederland zou hebben verbroken. Omdat uitzetting naar Marokko niet mogelijk is, weegt het belang van verzoeker in deze tussenfase zwaarder.
De voorzieningenrechter wees het verzoek toe, schorst de besluiten van 7 mei 2021 en 20 december 2021 en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de intrekking van het Nederlanderschap wordt geschorst tot het hoger beroep is beslist.