ECLI:NL:RVS:2022:2615
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek transitievergoeding buiten beschouwing te laten bij huurtoeslag
Appellante ontving huurtoeslag van 2013 tot april 2019 en verzocht de Belastingdienst/Toeslagen om een transitievergoeding van €17.500 per 1 januari 2019 buiten beschouwing te laten bij haar inkomen. De Belastingdienst wees dit af omdat de vergoeding geen nabetaling was, aangezien de aanspraak pas in 2019 was ontstaan.
De rechtbank oordeelde dat de vergoeding in een vaststellingsovereenkomst (VSO) van 31 januari 2019 was overeengekomen, waarbij partijen expliciet stelden dat het geen transitievergoeding betrof en dat de vergoeding pas opeisbaar was na het sluiten van de VSO. Hierdoor kon de vergoeding niet als nabetaling van inkomsten uit eerdere jaren worden gezien en mocht deze niet buiten beschouwing worden gelaten bij de huurtoeslag.
In hoger beroep stelde appellante dat de vergoeding wel aan de voorwaarden van een transitievergoeding voldeed en reeds vanaf 6 september 2018 vorderbaar was. De Afdeling bestuursrechtspraak verwierp dit betoog omdat de vergoeding pas in 2019 was overeengekomen en opeisbaar werd, waardoor het verzoek terecht was afgewezen.
De Afdeling bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. De Belastingdienst/Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om de transitievergoeding buiten beschouwing te laten bij de huurtoeslag wordt afgewezen.