ECLI:NL:RVS:2022:3380
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering huurtoeslag na definitieve inkomensvaststelling ondanks WW-uitkering in januari
De Belastingdienst heeft het recht op huurtoeslag 2019 van appellant definitief vastgesteld op basis van een verzamelinkomen van €19.823, inclusief een WW-uitkering over december 2018 die in januari 2019 is uitbetaald. Appellant betwistte dit en voerde aan dat deze uitkering niet bij het inkomen mocht worden geteld omdat het later werd uitbetaald dan verwacht, waardoor hij onevenredig werd getroffen door de terugvordering van €928.
De rechtbank oordeelde dat de Belastingdienst terecht het door de inspecteur vastgestelde toetsingsinkomen heeft gevolgd en dat de WW-uitkering niet als nabetaling kan worden aangemerkt omdat deze op het reguliere moment is betaald. Wel stelde de rechtbank een motiveringsgebrek vast in het besluit op bezwaar, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat de belangenafweging alsnog voldoende was gemaakt.
In hoger beroep bevestigt de Afdeling bestuursrechtspraak deze beoordeling. De WW-uitkering is volgens de wet en jurisprudentie geen nabetaling en moet daarom worden meegerekend. De dienst heeft discretionaire ruimte om terugvorderingen te matigen, maar er zijn geen bijzondere omstandigheden die een matiging rechtvaardigen. Het feit dat appellant zich onvoldoende geholpen voelde, leidt niet tot een andere uitkomst.
Het verzoek van appellant om het onderzoek te heropenen en aanvullende informatie in te brengen is terecht door de rechtbank afgewezen. De Afdeling concludeert dat het proces-verbaal een juiste weergave is van de zitting. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van €928 blijft in stand.