ECLI:NL:RVS:2022:2669

Raad van State

Datum uitspraak
14 september 2022
Publicatiedatum
14 september 2022
Zaaknummer
202107899/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing erkenning als referent voor verblijfsdoel uitwisseling

De vennootschap had een aanvraag ingediend voor erkenning als referent voor het verblijfsdoel uitwisseling, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 19 juli 2016 werd afgewezen. Na een bezwaarprocedure bleef de afwijzing gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep van de vennootschap gegrond en vernietigde het besluit, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven.

De vennootschap ging in hoger beroep bij de Raad van State, maar het hoger beroep werd ongegrond verklaard. De Raad van State oordeelde dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan het verkorte advies van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland over de negatieve financiële positie van de vennootschap. De stelling dat de directeur-grootaandeelhouder bereid zou zijn een bedrag van € 25.000,- in te brengen, werd onvoldoende zeker geacht.

De uitspraak van de rechtbank werd daarmee bevestigd en de staatssecretaris werd niet verplicht tot vergoeding van proceskosten. De Raad van State vond geen reden om het oordeel van de rechtbank te vernietigen, mede omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitspraak

202107899/1/V1.
Datum uitspraak: 14 september 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vennootschap],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 18 november 2021 in zaak nr. 20/3833 in het geding tussen:
de vennootschap
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 19 juli 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vennootschap tot erkenning als referent voor het verblijfsdoel uitwisseling, afgewezen.
Bij besluit van 29 mei 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vennootschap gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 november 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vennootschap ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft de vennootschap, vertegenwoordigd door mr. P.J. Krop, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.    De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat er geen reden is om te twijfelen aan de wijze van totstandkoming van het verkort advies van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van 12 april 2021 over de negatieve financiële positie van de vennootschap. Het betoog van de vennootschap dat de directeur-grootaandeelhouder bereid is om een bedrag van € 25.000,00 - eventueel aangevuld met de huidige openstaande rekening-courant - in te brengen, maakt dat niet anders. Dat dat zal gebeuren is namelijk onvoldoende zeker.
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G. Kamminga, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kamminga
griffier
382-941