ECLI:NL:RVS:2022:2744
Raad van State
- Hoger beroep
- A. ten Veen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatige toevoeging rechtsbijstand
Appellant, gescheiden en in meerdere civiele procedures verwikkeld met zijn ex-echtgenote, stelde dat de toevoegingen voor rechtsbijstand aan zijn ex-echtgenote onterecht waren verleend op basis van onjuiste of onvolledige gegevens. Hij vorderde schadevergoeding voor de daardoor gemaakte proceskosten. De rechtbank Gelderland verklaarde zich onbevoegd kennis te nemen van zijn verzoek om schadevergoeding omdat appellant geen belanghebbende is bij het besluit tot toevoeging.
Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat hij belanghebbende was bij het besluit van de raad van 28 juni 2019, waarin zijn aansprakelijkheidstelling werd afgewezen. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat dit besluit niet vatbaar is voor beroep en dat appellant zijn verzoek om schadevergoeding feitelijk richtte tegen de besluiten tot toevoeging, waarbij hij geen belanghebbende is.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het verzoek om schadevergoeding niet-ontvankelijk. Tevens werd de raad voor rechtsbijstand veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en werd het griffierecht aan appellant terugbetaald. De Afdeling kon niet inhoudelijk op het verzoek ingaan omdat appellant niet als belanghebbende kan optreden tegen besluiten tot toevoeging van rechtsbijstand aan een wederpartij.
Uitkomst: Verzoek om schadevergoeding wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen belanghebbende is bij het besluit tot toevoeging van rechtsbijstand.