ECLI:NL:CRVB:2022:1548
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid en afwijzing schadevergoedingsverzoek WIA-uitkering
Appellant ontving een WIA-uitkering die door het UWV werd beëindigd en later deels herzien. Appellanten vorderden schadevergoeding wegens vertraging en gevolgen van de beëindiging. De rechtbank verklaarde het verzoek van appellante niet-ontvankelijk vanwege gebrek aan rechtstreeks belang en wees het verzoek van appellant af, omdat de Raad al onherroepelijk had beslist dat alleen wettelijke rente verschuldigd is.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat ook appellante belanghebbende is en dat de schadevergoeding niet beperkt mag blijven tot wettelijke rente, vanwege de ernst van de gevolgen zoals verlies van woning en bedrijf. De Raad oordeelde dat alleen degene met rechtstreeks belang aanspraak kan maken en dat de wettelijke rente de volledige vergoeding van vertraging dekt volgens artikel 6:119 BW Pro en vaste jurisprudentie.
De Raad bevestigde dat het eerdere oordeel onherroepelijk is en dat een verdere vergoeding niet mogelijk is. Het hoger beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.