ECLI:NL:RVS:2022:2797
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit niet-ontvankelijkheid aanvraag verblijfsvergunning asiel
De vreemdeling heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris verklaarde deze aanvraag bij besluit van 8 oktober 2021 niet-ontvankelijk. De rechtbank Den Haag bevestigde dit besluit bij uitspraak van 21 december 2021, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State heeft in het hoger beroep overwogen dat de beoordeling van het indirecte reële risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU Handvest bij overdracht aan Denemarken niet correct was toegepast. Op basis van eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2022:1864) oordeelde de Afdeling dat het beroep gegrond is.
De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het besluit van de staatssecretaris wordt eveneens vernietigd. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling heeft gemaakt voor de behandeling van het beroep en hoger beroep, ter hoogte van €2.277,00.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit niet-ontvankelijkheid wordt vernietigd en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.