ECLI:NL:RVS:2022:2813
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving wegens verwijderen gemeenschappelijk schoorsteenkanaal zonder omgevingsvergunning
Bij een verbouwing heeft appellant het gemeenschappelijk schoorsteenkanaal in haar woning verwijderd zonder omgevingsvergunning. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft daarop een last onder dwangsom opgelegd om de overtreding te beëindigen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State heeft overwogen dat het schoorsteenkanaal een gemeenschappelijk en dragend onderdeel is van de boven- en benedenwoning. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (STAB) concludeerde dat het verwijderen van het schoorsteenkanaal de draagconstructie van het pand heeft beïnvloed en de stabiliteit verstoord. Het college had op basis van bouwtekeningen en de situatie voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake was van een verandering van de draagconstructie.
Appellant voerde aan dat het college onvoldoende bewijs had geleverd en dat het STAB-rapport niet leidde tot een definitieve vaststelling. Ook stelde appellant dat er geen zichtbare schade was en dat een vergunning niet nodig was. De Raad van State verwierp deze bezwaren en benadrukte dat het college bevoegd was om handhavend op te treden vanwege het algemeen belang en de noodzaak van vergunningplicht bij verandering van de draagconstructie.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de last onder dwangsom wordt bevestigd.